Voer strijd tegen armoede, niet tegen armen

Eigen schuld, dikke bult. Dat is steeds vaker de filosofie in de Antwerpse OCMW-comités. Voor Lise Vandecasteele* zijn die een toonbeeld van paternalisme. Dat schreef ze in dit opiniestuk dat eerder verscheen in De Standaard van 4 april.

Een vrouw van in de twintig komt het OCMW-comité binnen. Ze is dakloos. Ze krijgt sinds enkele maanden een leefloon, maar omdat ze onvoldoende meewerkt, ligt het voorstel voor om het leefloon twee weken te schorsen. Ze zet zich aan de grote zwarte tafel tegenover acht politici en twee maatschappelijk werkers.

‘U bent dakloos. Als u steun wil genieten, moet u zoeken naar een woonst en laten weten waar u slaapt’, zegt een maatschappelijk werker.

‘Ik geef door waar ik slaap’, reageert de vrouw.

‘U hebt een referentieadres, u moet uw post ophalen.’

‘Ik haal mijn post geregeld op.’

‘Maar u moet wekelijks uw post ophalen, dat gebeurt niet.’

‘Ik heb inderdaad soms veel aan mijn hoofd. Ik denk er niet steeds aan.’

‘We hebben vastgesteld dat u hulp nodig hebt en u moest naar de psycholoog gaan.’

‘Maar ik moest eerst mijn ziekenkas in orde maken. Het is moeilijk om alles te onthouden. Ik wil alles een voor een doen.’

‘U bent dakloos, wat doet u overdag?’

‘Ik zoek een slaapplaats en probeer me warm te houden. Soms mag ik bij familie gaan. Ik verbleef een tijdje in de nachtopvang, maar daar vallen mannen me lastig. Ik heb kort een appartement gehad, maar mijn huisbaas was een huisjesmelker. De politie zoekt het uit. Maar ik sta wel op straat.’

‘Hoe gaat het met uw zoektocht naar een woning?’

‘Ik zoek. Ik mocht onlangs een woning gaan bezichtigen, maar telkens als ik zeg dat ik een borg van het OCMW heb, haken ze af of zeggen ze dat ze daar niet aan meedoen.’

‘U moet goed doen wat wij van u vragen: u moet elke avond opschrijven waar u slaapt en dat doorgeven.’

‘Maar soms willen de mensen waarbij ik slaap niet dat ik hun adres doorgeef aan het OCMW.’

‘Doe uw best, want we denken dat u toch meer kunt doen dan wat u vandaag doet.’

De jonge vrouw mag de zitting verlaten. Er volgt een overleg tussen de politici. Ik verdedig dat de sanctie in deze precaire situatie onaanvaardbaar is. Uiteindelijk stemt de meerderheid om ‘slechts’ één week leefloon in te houden. ‘We moeten een signaal geven, ze moet doen wat we haar vragen.’

Het idee leeft dat de vrouw niet uit de armoede raakt omdat ze niet voldoende haar best doet. Het is haar schuld. Ze wordt weinig respectvol en met wantrouwen onthaald. De vrouw heeft recht op steun en begeleiding, maar daar worden hoe langer hoe meer voorwaarden aan gekoppeld.

Van liefdadigheid naar solidariteit

Tot in de jaren zeventig hadden de ‘Commissies van Openbare Onderstand’ de taak om de ellende van de armen te verzachten. Steun was een gunst. In 1976 werd wettelijk vastgelegd dat de hulp voortaan een recht was. Het OCMW kreeg de wettelijke opdracht ervoor te zorgen dat iedereen een leven kan leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. Het was de stap van armen- naar welzijnszorg.

Maar kunnen we vandaag over een recht spreken? Na drie jaar deelname aan de Antwerpse OCMW-comités stel ik me daar vragen bij. In deze comités passeren de individuele steunaanvragen bij acht politici. Op het digitale platform vink je per aanvraag aan of je vindt dat iemand steun verdient of niet. De politici moeten geen deskundigheid over armoede hebben en verdienen een aardige duit aan zitpenningen.

Het is de terugkeer van het ‘eigen-schuld-model’: het accent verschuift van solidaire naar individuele verantwoordelijkheid. Dat je dakloos blijft, ligt aan je zoekgedrag en niet aan het tekort aan betaalbare woningen. Het is gemakkelijker om geen hulp te bieden als je gelooft dat iemand zelf voor een situatie kiest en zelf verantwoordelijk is. Mensen in armoede straffen lijkt wel belangrijker dan echte oplossingen zoeken. Dat was al zo onder voorzitster Monica De Coninck (sp.a), die de filosofie van ‘voor wat hoort wat’ volgde, dat bleef zo onder Liesbeth Homans en Fons Duchateau (N-VA) en dat is nog steeds zo onder Tom Meeuws (sp.a).

Het laatste vangnet

Het voorbeeld van de twintigjarige vrouw is geen uitzondering. Om allerlei redenen kan een leefloon geschorst, afgeschaft of niet toegekend worden: onvoldoende meewerken, onvoldoende sollicitaties of niet naar de psycholoog gaan terwijl dat in je contract staat. Er is geen laatste vangnet, nochtans het basisidee van onze sociale zekerheid – een openbaar systeem om een inkomen te garanderen voor iedereen die, tijdelijk of blijvend, daar zelf niet toe in staat is.

Bij elk comité draait mijn maag zich om. Ze zijn een toonbeeld van paternalisme. Een tribunaal oordeelt of je toegang krijgt tot een menswaardig leven en wat je daarvoor moet doen. De mensen in armoede worden als onkundig gezien en verliezen hun zelfbeschikkingsrecht. De maatschappelijk werkers krijgen een controle- in plaats van begeleidingsfunctie. Ze ervaren een verzakelijking van hun opdracht, er is minder ruimte voor menselijk contact, voor ondersteuning en opvolging.

Ondertussen groeit de armoede in ons land en trekken armoedeorganisaties aan de alarmbel. We kunnen armoede uitroeien als we echte oplossingen bieden, zoals uitkeringen optrekken, betaalbare woningen bouwen en volwaardig werk op maat creëren. We moeten het recht op een menswaardig leven weer garanderen.

*Lise Vandecasteele is huisarts en lid van het bijzonder comité voor de sociale dienst van Antwerpen voor de PVDA


Schrijf als eerste een reactie

Gelieve je mail te bekijken voor een link om je account te activeren.

Dit is jouw beweging