|
|
Jos Vandervelpen, voorzitter van de Liga voor Mensenrechten: “Normaal ben ik niet zo dol op herdenkingsceremoniën. Vaak verzanden die in een soort nostalgie. Maar toen ik de vraag kreeg om hier te spreken heb ik zonder aarzelen ja gezegd. Ik ken ze, Pot en Grijp. Het gaat om eenvoudige Vlaamse volksjongens, die vermoord werden aan de vooravond van de eerste grote zwarte zondag in 1936. Die moord werd gepleegd door Awouters, een Franstalige man van de “Realisten”, dat een klein fascistisch clubje was. De grote partijen waren op dat moment het VNV van Staf De Clercq en Rex van Léon Degrelle. De Realisten zijn later ook bij Rex gegaan. Pot en Grijp werden neergeschoten vlak voor de Vlaamse Opera, allebei met een kogel in het hart. Morsdood.
Waarom ben ik blij om aan dit graf te staan? De eerste reden is: het historisch geheugen neemt zienderogen af. Hoeveel jongeren kennen Pot en Grijp nog, weten nog wie zij waren. Er is een probleem met ons historisch geheugen, dat is een algemeen probleem in deze emo- en spektakelmaatschappij. Ons algemeen geheugen neemt af. In Vlaanderen vergeet men graag de zwarte bladzijden uit de geschiedenis. Niet alleen de collaboratie maar ook het verzet tegen de collaboratie. Dat is een van de voornaamste redenen dat ik hier sta. Men vergeet dat de strijd voor duurzame vrijheden vooral gevoerd werd door gewone mensen, van dokwerkers tot gepensioneerden. Dat het het gewone volk was die hun leven gaven in die strijd. Tienduizenden gewone mensen zijn in die strijd omgekomen, tijdens de oorlog. Voor hen zijn er geen gedenkstenen, geen in memoriams.
De tweede reden is niet om dat mooie gedicht van Gresshof dat hier op de steen staat. De begrafenis van Pot en Grijp was een heel aangrijpende gebeurtenis. Het was een van de hoogtepunten in de eenheidsstrijd tegen het fascisme. Er was een mensenzee van gewone mensen. Duizenden mensen begeleidden de kist naar het Schoonselhof. Langs de hele weg was een zee van mensen, met rode vlaggen met zwarte randen.
Het ging niet alleen om die mensenmassa, maar ook om de eendracht. Er was een besef van het naderend onheil van het fascisme. Een besef dat zij daar samen tegen zouden moeten vechten, hun eigen vlag en godsdienst achterwege latend. Tienduizenden zijn er naar hier afgezakt.
Het was ook een dramatisch punt. De dag na de schietpartij haalden de Rexisten een historische doorbraak bij de verkiezingen. Het was de eerste zwarte zondag, en die mannen vierden feest terwijl Pot en Grijp begraven werden. Wat mij bij blijft is die enorme eenheid.
Mijn derde en laatste punt: de 2e juni, 75 jaar geleden begon de grootste staking die ons land heeft gekend. Een staking nog groter dan die van '60-'61. De dokwerkers kunnen daar fier op zijn, en het is een succes geworden. Hoewel ze zich daar misschien nog onvoldoende bewust van waren, was er ook aanvoelen dat als je iets wil doen tegen de opkomst van het antidemocratisch nationalisme en fascistische krachten, dat je dan de economische bodem moet wegnemen. De samenwerking tussen de vakbonden was in die staking relatief voorbeeldig.
We waren in 1936, 3 à 4 jaar voor het uitbreken van de tweede wereldoorlog. Maar de politieke en andere leiders waren zich onvoldoende bewust van het imminente gevaar. Ze hebben extreemrechts en de verwoestende kracht van een bepaald soort ondemocratisch nationalisme onderschat.
Het is niet genoeg om op te komen voor 10 frank opslag, men moet ook opkomen voor de verdediging van de vrijheid, van onze democratische vrijheden. Op dat vlak heeft men in die staking er niet uitgehaald wat er uit te halen viel. Ondanks al die vrijheidslievende democratische krachten. Dat is de moraal als we staan aan het graf van Pot en Grijp, daar moeten we ons over bezinnen. Waarmee ik niet wil zeggen dat we nu in 1936 zitten, maar wel dat we een zekere alertheid moeten hebben, zoals destijds Camille Huysmans, ten opzichte van het aankomende fascistische onheil.”