|
|
Met vóór zich de leegte van liggende handen
Staan ze vol wrok aan de lopende band en
Monteren geen auto’s maar geronnen ideeën.
Die drijven in ’t Scheld naar de wereldzeeën.
Het recht van wie werkt, werd hier niet geteld.
Vervloekt de mammon, de god van het geld!
Hun bloeiende plant werd geknakt door die god.
Hij heeft hen belazerd, gebruikt en bedot.
Wat zijn dat voor ruïnes zonder genade?
Waar strijkt nu de kou neer, aan welke kade?
Sneeuw valt als lijkwit in het dok en op straat.
Vervloekt! De bouwers monteren het woord
en de daad.
Ze honen de minister, de hoge heren.
Ze assembleren!