Vier vragen over de Antwerpse woonbegeleiding

Op de Antwerpse gemeenteraad van 24 oktober stelde PVDA-raadslid Peter Mertens vier pertinente vragen aan schepen van Sociale Zaken, Fons Duchateau (N-VA) over de woonbegeleiding van huurders met complexe dossiers. Tot op vandaag is de woonbegeleiding in handen van de woonteams van CAW (Centrum Algemeen Welzijnswerk). De samenwerking wordt stopgezet en een projectoproep naar het brede werkveld (ook commerciële spelers  stelt nieuwe doelstellingen en voorwaarden. De inhoud van de oproep is alarmerend en veroorzaakt veel commotie bij sociaal werkers.

Lees hieronder zijn interpellatie.

125 begeleide huurders zonder hulp?

In de opdracht geeft men een definitie van wat een complex dossier zou zijn: huurders met meervoudige problematieken, zorgwekkende zorgmijders, huurders die in het verleden een moeizame start van de hulpverlening kenden, en huurders waar een gecombineerde aanpak van verschillende diensten nodig is. Dus een evidente vraag is natuurlijk hoe men tot deze definitie van complex dossier gekomen is. Op welke wetenschappelijke basis is die definitie tot stand gekomen? Welke experten hebben deze definitie tot stand gebracht?

In de projectoproep moet de uitvoerder zich verbinden om minstens 75 individuele dossiers te behandelen terwijl het woonteam van het CAW vandaag ongeveer 200 cliënten bereikt en begeleidt. Dus de vraag is: Wat gaat er dan met die 125 anderen gebeuren én hoe vermijd je het risico dat diegenen die het het hardste roepen gaan geholpen worden. Wat met die 125 anderen die misschien niet zo’n multi-problematische achtergrond hebben. Gaan zij uit de boot vallen?  

Methodiek aanklampende woonbegeleiding

Ik denk dat je een deel van de mensen die nu woonbegeleiding nodig hebben, achter hun veren moet zitten. Dat je instanties moet hebben die heel nauw volgen en 'aanklampend' begeleiden. Maar dit gaat ook niet op voor iedereen. Er is een groot deel van de mensen die nu in de woonbegeleiding zitten, die wel de zelfstandigheid hebben om zelf mee in dat traject te gaan. De vraag - die ook van mensen op het terrein komt - is: Hoe respecteer je de draagkracht en het tempo van elke gebruiker, want dat is natuurlijk heel verschillend. Je kan moeilijk één methode van aanklampende begeleiding toepassen op de hele groep. Voor een deel van de groep gaat dit averechts werken.

Daarbij aansluitend heb ik ook de vraag: Wat is de finaliteit van die aanklamping? Is de finaliteit het realiseren van die mensen hun grondrechten? Voor die kwetsbare doelgroepen betekent dat het recht op wonen, gezondheid en zelfstandigheid. Of wil men eerder een corrigerende, disciplinerende functie? Of eventueel zelfs een uitsluitende functie? Dit debat leeft heel sterk, niet enkel onder de hulpverleners, maar ook bij de mensen op de sociale hogescholen die daar nu heel hard mee bezig zijn. Is het doel emanciperen en grondrechten aan te leren in die begeleiding of is het de bedoeling om te disciplineren en controleren of eventueel zelfs uit te sluiten?

Laagdrempelig generalistisch onthaal

Mijn derde vraag gaat over laagdrempelig onthaal. In de opdracht staat een schema wie welke begeleiding op zich neemt (zie hierboven). Als ik het goed begrijp hebben we het hier over de oranje schakel op het einde van de keten bij huurders met complexe dossiers. De vraag is: Wie maakt de beoordeling in het begin van de keten? Het is heel belangrijk dat dat de mensen die binnenkomen met een meervoudige problematiek, dat die naar de juiste richting worden doorverwezen. De vraag luidt: Wie gaat in het begin die selectie maken, die doorverwijzing maken?

Ik vraag dit omdat het CAW op dit moment al heel sterk bezig was om over te stappen van woonteams naar geïntegreerde wijkteams, die de laagdrempelige, generalistische onthaalfunctie toepaste. Hier kunnen mensen met problemen terecht en dan worden ze door mensen van CAW doorverwezen naar de gespecialiseerde diensten. Ze zeggen ook dat ze die overschakeling hebben gedaan op basis van wetenschappelijk onderzoek daaromtrent, maar ook op basis van de vraag van de verenigingen waar armen het woord nemen.  Het is ook  in de geest van de plannen van minister Vandeurzen om zo’n onthaal laagdrempelig te maken. Dit wordt nu doorkruist.

Beroepsgeheim

De vierde en laatste vraag - en in mijn ogen de belangrijkste - gaat over de kwestie van het beroepsgeheim. Daar is heel veel onvrede en er zijn veel vragen over. In een hulpverleningsrelatie is beroepsgeheim heel belangrijk. Er is een vraag om bij de projectoproepen een clausule toe te voegen om het beroepsgeheim te respecteren.  

Waarover gaat het? Omdat bijvoorbeeld iemand die door het OCMW of de sociale huisvesting wordt doorverwezen naar de hulpverlenende instanties, dat daar het beroepsgeheim geldt natuurlijk. Normaal kan de hulpverlener met de subsidiant informatie delen over wie de gebruiker is, wanneer de hulpverleners de gebruikers begeleiden en of het resultaat positief of negatief is. Eventueel kan ook tijdens dat hele proces de begeleiding in algemene termen zeggen of het proces al dan niet positief of negatief verloopt.  

Maar wat niet kan en dus echt beroepsgeheim is, is dat er individuele gegevens worden doorgegeven aan de subsidiant. Welke problemen de huurders hebben, wat hun situatie is op gebied van opvoeding, gezondheid, huisvesting, seksualiteit, justitie... En dan zeker niet over hoe het op al die levensdomeinen evolueert tijdens het proces.

De vraag is dus: Waarom moeten die gegevens aan de stad worden overgedragen? Hoe gaat de stad ervoor zorgen dat het beroepsgeheim van de problematiek van de gebruikers effectief gegarandeerd kan worden?

In bijlage vind je de projectoproep. Het volledige debat kan je hier herbekijken.

Bijlage: 
PDF icon Projectoproep