1.2. De stad wordt overspoeld door de neoliberale vloedgolf

1.2. De stad wordt overspoeld door de neoliberale vloedgolf

De stad staat niet buiten de samenleving, ze is geen neutrale plek. In de stad komen maatschappelijke tegenstellingen dikwijls scherp naar boven. Dat Opel sluit of Crown Corks, heeft gevolgen voor de stad. Dat de regering 100.000 werklozen onder de armoedegrens duwt met haar degressieve werkloosheidsuitkeringen, ook dat voelt de stad.

Steden zijn levende organismen, ze staan niet stil, ze veranderen, ontwikkelen zich, worden groter. Een eeuw geleden woonde tien procent van de wereldbevolking in steden, nu is dat al meer dan de helft. Je kan de dynamiek van een stad niet begrijpen als je alleen binnen de muren kijkt, een stad is in voortdurende wisselwerking met de omgeving.

De oude middeleeuwse steden vormden zich tot aan de Tweede Wereldoorlog om tot industriesteden waar ook de arbeidersbeweging wortel schoot en zich heeft ontwikkeld. Maar in de jaren 60 werd in Vlaanderen de nieuwe industrie ingeplant langs grote verkeersassen en industrieterreinen op het platteland. Weg van de stad, dat ‘verdorven oord van socialisme’. Het woon-werkverkeer met zijn pendelaars en files groeide en groeide. Meer tweeverdieners en arbeiders met een behoorlijke job trokken naar ‘de buiten’. Het was de ‘stadsvlucht’ van dat deel van de werkende klasse dat het zich kon permitteren.

Zo ontstond in de jaren 80 een stedelijk probleem. In de grote steden concentreerde zich de meeste armoede. Het bestuur en de diensten van die steden waren erg gepolitiseerd en gebureaucratiseerd. Toegang was vaak afhankelijk van politieke connecties en partijkaarten. Er moest verandering komen in dat stedelijk beleid. Aanvankelijk kwam er een accent op geïntegreerde buurtontwikkeling, op armoedebestrijding en op het tegengaan van sociale ongelijkheid.

Maar dat veranderde in het begin van de jaren 2000. De neoliberale golf bracht een heel andere visie op de stad met zich mee. Over die neoliberale stadsvisie heerste een oorverdovende eensgezindheid bij alle partijen: liberalen, christenen sociaaldemocraten, nationalisten. Het virus sloop zelfs voor een deel binnen bij de groenen, in Mechelen bijvoorbeeld. De marktvisie op de stad was voortaan bon ton.

Die marktvisie is een concurrentiële visie waarin de steden zich – ook internationaal – tegen elkaar uitspelen met grote projecten – ‘flagship projects’ – en met campagnes waarin ze zich promoten als residentiële, commerciële en toeristische trekpleister. Dat leidt tot interstedelijke competitie die omfloerst ‘citymarketing’ heet, en deze marsrichting wordt actief door de Europese Unie gepromoot. Zo moeten de steden opnieuw aan belang winnen en de ‘betere middenklasse’ weer aantrekken. Onze stad kreeg een marketingstrategie, een slogan en een logo en probeert met een Vlinderpaleis en een indrukwekkend MAS in competitie te gaan met andere Europese steden. De stad is ondertussen een product geworden om te verkopen aan investeerders, bedrijven en toeristen.

Dat steden naar ‘de markt’ trekken om er zich in de vitrine te zetten voor projectontwikkelaars, vastgoedmakelaars en het toerisme heeft alles van doen met de financiering van steden en gemeenten. Het federale en gewestelijke politieke niveau heeft de steden en gemeenten almaar meer middelen ontnomen. Zo komt het dat steden niet langer zelf grote sociale projecten kunnen uitwerken en daarvoor dus uitwijken naar de privé in publiek-private partnerschappen.

Het is de neoliberale illusie van de profit fall: trek grote projecten en ondernemingen aan en iedereen zal ervan profiteren. Het tegendeel is waar. Deze visie op de stad vergroot de tegenstellingen en verkleint het ‘recht op de stad’ voor grote groepen in de samenleving. Deze herwaardering van de stad verloopt immers volgens de marktlogica. De prijs van de sociale woningen wordt ‘marktconform’ en dus onbetaalbaar, de toegang tot openbare ziekenhuizen wordt moeilijker door de toenemende commercialisering, de eerstelijnszorg in de wijken gaat achteruit, bibliotheken en zwembaden worden duurder… Het sociale weefsel van publieke voorzieningen wordt vervangen door het weefsel van geld en prestigeprojecten. Dat is ook een federale en gewestelijke tendens die nog zal toenemen met de besparingen in het sociaal beleid en op het middenveld (samenlevingsopbouw, buurtwerk, jeugdwelzijnswerk, seniorenbeleid, opvang nieuwkomers, Nederlandstalige lessen…)

Waar de voorzieningen worden weggehaald, groeit de miserie, én de tendens naar ‘gewapend bestuur’, zoals de Franse socioloog Loïc Wacquant het benoemt.

Je kan dan wel nieuwe pleinen en parken aanleggen of prestigeprojecten uitwerken, als je niet investeert in mensen krijg je wijken zonder leven. Dan krijg je een Schijnpoortwijk of Luchtbal zonder bankcontact, zonder postkantoor, zonder buurtbibliotheek, zonder tandarts en met slechts één apotheek. Waar ook een deel van de middenstand wegtrekt: de wasserette, de beenhouwer, de kruidenier…

In plaats van een beroep te doen op meer inspraak van de bevolking, op het publiek, om de gepolitiseerde en gebureaucratiseerde stadsdiensten te verbeteren, gebeurde het omgekeerde. Er werd meer en meer een beroep gedaan op de privé, op publiek-private projecten en op het uitbesteden van opdrachten en van het stedelijk patrimonium. Zo gaf de stad veel sleutels tot verandering over aan zogenaamde autonome bedrijven. In die bedrijven wordt de greep van de privé groter en groter.
  De stadsdiensten werden omgedoopt tot bedrijfseenheden en later tot bedrijven. Managers kwamen er aan het roer. Er werden tactische en strategische doelstellingen geformuleerd. De publieke opdrachten werden uitgeschreven in ‘flows’ en processen. En tot op de minuut getimed en in kaart gebracht. Dienstverlening, zorg en klantvriendelijkheid werden zo voor het stadspersoneel opeens een ‘product’.
  Deze bedrijfslogica vertrekt niet van behoeften van mensen maar van cijfers en commerciële strategieën. Deze logica meet de minuten waarop een vraag van iemand aan een loket wordt afgewerkt, maar intussen wordt het loket onderbemand om te besparen op personeel. Deze logica telt de bezoekers van een wijkbibliotheek en sluit die vervolgens wegens te lage cijfers. Deze logica vervangt een vaste werkster in een school door een privé poetsfirma omdat het goedkoper is en ze vergeet daarbij dat de werkster ook mee thee zet voor de kinderen, de vaat doet voor de leerkrachten en inspringt bij schoolen kerstfeestjes. Deze logica vervangt vaste, goed opgeleide medewerkers door sociale tewerkstelling, door vrijwilligers of door digitale dienstverlening.
  Zo groeit er een tweedeling en discriminatie in de dienstverlening, in de diensten, in de tewerkstelling en verloning bij de overheid.
  De sociale visie op de stad wil diensten toegankelijk maken voor iedereen, de sociaal zwaksten beschermen en collectieve voorzieningen uitbouwen die aan iedereen ten goede kunnen komen. De commerciële, liberale visie werkt voor wie het kan betalen en vindt dat er voor de anderen enkel een minimale voorziening moet zijn.

Het Antwerpse Bestuursakkoord 2007-2012 was het akkoord waarover sp.a, CD&V, Open VLD en N-VA het eens werden om de stad te leiden. Dat akkoord ademde de commerciële visie uit. Het richtte zich op het aantrekken van bedrijven, van projectontwikkelaars en van toeristen. Het wilde geen armen als inwoners en het trok liefst tweeverdieners aan.
  Het gevolg? De stad zorgde voor dienstverlening aan bedrijven, zelfstandigen en hoger geschoolde inwoners. Ze richtte een bedrijvenloket in, zorgde voor meer vrijstelling van de belasting op drijfkracht en op kantoorruimte. Ze renoveerde handelspanden om ze daarna terug aan de privé te geven. Ze organiseerde digitale dienstverlening.
  Maar de sociaal zwakke groepen kregen de druk van de activering voor wie werkloos is of een leefloon krijgt. Ze kregen cameratoezicht en GAS-boetes. Wie vooraf niet betaalt, krijgt een ziekenhuisraadpleging ontzegd. En ze kregen de druk van de verdringing uit bepaalde wijken na de opwaardering ervan door projectontwikkelaars.

Wijken werden opgewaardeerd maar daarmee gingen ook de prijzen – in de eerste plaats de woningprijzen – de hoogte in. En zo vertrokken meer armere groepen uit de wijk. In theorie wordt een goede sociale mix als streefdoel vooropgesteld, in de praktijk is er een verdringingsbeleid van migranten, laagopgeleiden en werklozen (en van andere sociaal ‘onaangepasten’ zoals illegalen, daklozen, druggebruikers…) Dat proces waarbij de oorspronkelijke bewoners uit stadswijken plaats moeten maken voor iets meer verdieners, heet gentrificatie. Dat gebeurde in het Zuid en met het Eilandje. Hoe meer je ’t stad is van iedereen hoort, hoe minder deze stad echt van iedereen wordt. ’t Stad is meer en meer van wie centen heeft.

De citymarketing promoot de stad om privé-investeerders aan te trekken en is een feel good communicatie naar de bevolking. Ze brengt professionele folders uit over de realisaties van de stad, vooral over de heraanleg van straten en parken. Zo vervangt de communicatie de inspraak. De deuren van het stadhuis blijven gesloten, bijvoorbeeld voor de duizenden klachten van sociale bewoners die voor allerlei kosten moeten opdraaien die ze soms zelfs nooit hebben gemaakt. Onze enquête bij 4.700 Antwerpenaren geeft aan dat nauwelijks 15 procent – voornamelijk hoger opgeleiden – tevreden is over de inspraak. En dat meer dan een derde er zéér ontevreden over is. De gemiddelde score voor inspraak is dan ook slechts 44 op 100, een dikke buis.

Vervolg:
1.3. Wij eisen voor àlle Antwerpenaren het recht op de stad op

Je kan het hele programma downloaden in PDF formaat: klik hier

 


Schrijf als eerste een commentaar

Gelieve je mail te bekijken voor een link om je account te activeren.

Klaar om de bevraging voor jouw stad in te vullen?